De ijsfiets

Kleine stofdeeltjes dansen in het zonlicht dat door het raam de garage binnenvalt. Buiten klinkt het gezang van een merel.
De afgelopen weken was Fleur samen met haar vader druk bezig geweest met het opknappen van de ijsfiets. Zachtjes strijkt ze met haar hand over het stuur.
Het voelt een beetje onwerkelijk, maar nu is hij toch echt van haar.
Het is een oud beestje, de fiets.
Vanaf vandaag vijf generaties in de familie.

14 augustus 1919.
Met zijn rode zakdoek veegde Wiebe het zweet van zijn voorhoofd, hij was een klein, sterk baasje.
Zuchtend stak hij de riek weer in de grond om de volgende lading aardappels naar boven te halen.
Met een paar koeien, varkens en een stukje moestuin moest er hard gewerkt worden en zag elke dag er min of meer zo’n beetje hetzelfde uit.
Echt fijne jaren waren dit niet, de Spaanse Griep had diepe sporen achtergelaten en hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal was gebleven was de recessie nog steeds goed voelbaar. Veel mensen moesten nog zuiniger leven dan ze al deden, leuke spullen, eten met smaak en nieuwe kleren waren een luxe.
De verschroeiende zon stond hoog aan de strakblauwe hemel en de enige schaduw kwam van de rieten hoed die hij op zijn hoofd had.
‘Jeetje, wat een hitte! Een beetje verkoeling zou niet verkeerd zijn!’
Zijn gedachten dwaalden terug naar de bevroren room, die hij lang gelden ooit in de grote stad had geproefd. Dat was zo lekker…
‘Wacht eens even… Ik heb koeien. Waarom kan ik niet zelf van die bevroren room gaan maken…?
Ja, op de miniboerderij is het flink aanpoten, maar we hebben alles bij de hand en echte tekorten hebben we eigenlijk nooit gehad, sterker nog, in verhouding met veel anderen hebben we het zeker niet slecht.’

En Wiebe was handig, heel handig. Na wat proberen was het hem en zijn vrouw gelukt om heerlijk boeren roomijs te bereiden.
Nog een week later had Wiebe zijn eigen fiets in elkaar geknutseld.
Het was tegen de avond toen hij er voor de eerste keer mee naar het dorp trapte.
De hemel begon al oranje te kleuren en in de velden rook het naar bloemen en gemaaid gras, naar hartje zomer.
Wiebe snoof de geur op en grijnsde met heel zijn gezicht, trots als een pauw was hij.
Zodra hij het pleintje achter de kerk opreed kwamen een paar nieuwsgierige kinderen aangerend. Hun houten klompjes kletterden op de kasseien.
‘Hebben jullie zin in een ijsje?’ riep Wiebe vrolijk.
‘Ehhh…. Wat is een ijsje?’ vroeg een kleine magere jongen met een veel te grote, versleten pet die helemaal over zijn voorhoofd viel.
‘Nou, dat mag je gratis proeven!’ antwoordde Wiebe, terwijl hij wat room in een bakje schepte.
Meteen begonnen de ogen van de jongen te twinkelen.
Die blik…
Heel even een kort momentje van zorgeloosheid en kind zijn zoals het hoort…
Onbetaalbaar!

Dat was het begin van de reis van de ijsfiets. Een reis door tijd en generaties.
De crisisjaren dertig.
De Tweede Wereldoorlog.
De protesten van de jaren zestig.
De angst en verslagenheid na de aanslagen op het World Trade Center.
Telkens wanneer er iets vervelends gebeurde werd de ijsfiets van stal gehaald om één dag lang gratis ijs weg te geven, als stukje hoop en tegengeluid op al het naars dat in de wereld gaande was.

Fleur manoeuvreert de fiets de garage uit. De bak is tot de rand gevuld met ijs volgens het recept van haar betovergrootvader.
‘Best wel bijzonder eigenlijk,’ mompelt ze.
De coronacrisis, oorlog, recessie, vluchtelingen, verdeeldheid, het klimaatprobleem, protesten, soms zelfs met grof geweld…
Dit is het moment…
Tijd om de boel een beetje op te vrolijken!