Davin

Mijn ouders zijn om het leven gekomen bij een auto ongeluk, ik was toen net vier jaar oud. Het enige dat ik van ze heb zijn een paar vage herinneringen en een foto die ik jarenlang goed bewaarde.
Omdat er verder geen familie was die voor me kon zorgen ben ik bij mijn opa gaan wonen.

Mijn opa was de meest speciale man die je je maar voor kunt stellen. Hij heette Thor Nielsson en hij was groot en sterk. Voor zover ik me kan herinneren heeft hij nooit een scheermes aangeraakt. Zijn grijze baard groeide tot ver over zijn brede borstkas. Opa is altijd enorm trots geweest op het feit dat we rechtstreekse afstammelingen van de Vikingen zijn. De Vikingen, een stoer krijgersvolk, dat de ruige zeeën heeft bevaren en nog voor Columbus in Amerika aankwam.

Omdat opa voor de natuurbescherming werkte woonden we in een afgelegen hutje op het strand. Sommige mensen krijgen spontaan medelijden met me wanneer ze horen dat ik zonder stroom ben opgegroeid. We hadden geen tv, geen spelcomputer, zelfs geen licht en gasverwarming, het enige elektrische apparaat dat we in huis hadden was een kleine radio op batterijen die standaard elke avond om zes uur even aan werd gezet om naar de nieuwsberichten te kunnen luisteren. Maar weet je, niemand hoeft medelijden met mij te hebben, omdat ik de beste jeugd heb gehad die je je maar voor kunt stellen. Nooit heb ik me ook maar één seconde verveeld, ik leerde alles over de zee en de natuur. Altijd was ik met van alles en nog wat bezig. Ik bouwde een kasteel van aangespoelde rotzooi en verzamelde speciale schelpen. Af en toe kwam een vriendje van school spelen, dan zochten we krabben en zeesterren, maakten een vlieger van een stuk plastic dat we ergens hadden gevonden, of roosterden onze zelf gevangen vis boven een vuurtje. Al heel jong heb ik geleerd hoe dat moet.
Heb jij dat ooit gedaan? Vis gevangen en geroosterd? Moet je echt een keer doen! Daar kan geen enkel vijf sterrenrestaurant tegenop!

Het gezelligste moment van de dag was de avond. De kaarsen en de open haard gingen aan. Soms vond ik dat een beetje spannend. Het vage licht wierp dansende schaduwen door onze kleine woning, terwijl buiten de wind aan de luiken rammelde. Voor opa vormde dat een bron van inspiratie. Vlak voor ik naar bed ging vertelde hij de meest spannende verhalen, over piraten, Vikingen, zeemonsters en meerminnen. Hij heeft het nooit geweten, maar soms durfde ik niet meer te slapen, omdat ik bang was dat de reuze octopus onder mijn bed lag.

Die zaterdag in de herfst kan ik me nog goed herinneren, waarschijnlijk was ik toen een jaar of zeven a acht. Als een echte jutter liep ik met een enorme tas over het strand. De wind probeerde zich een weg door mijn jas te vinden, wat hem niet lukte. Ik trok de wollen muts verder over mijn oren en plonsde vastberaden met mijn hoge laarzen door de kreekjes.
De afgelopen nacht had het flink gestormd. Er waren een paar pannen van het dak gewaaid en opa was bezig om dat te repareren. Omdat hij dat klusje liever in zijn eentje deed besloot ik om eropuit te trekken. Er was genoeg aangespoeld en dat kwam mooi uit, want ik had nog heel veel spullen nodig voor mijn kasteel.
Plotseling viel mijn oog op iets wat voor de helft in het water lag…
In eerste instantie dacht ik dat het een vreemd stuk scheepsafval was, maar toen ik beter keek bleek het dat niet te zijn.
Van een afstand kneep ik mijn ogen tot spleetjes en staarde naar het ding.
Het had iets menselijks…!
Voorzichtig kwam ik wat dichterbij.
Het leek op een vrouw.
Doordat ze geen kleren droeg was duidelijk te zien hoe glad en bleek haar huid was. Nog nooit had ik iemand ontmoet die er zo perfect uitzag, niet één moedervlekje, niet één bubbeltje!
Ze lag op haar buik, met haar gezicht in de modder begraven. Haar lange, ruwe haar vol zeewier lag om haar heen gedrapeerd en haar benen waren onzichtbaar, omdat die verstrikt zaten in een visnet vol rotzooi.
Benen… Had ze die wel?
Was dit een meermin…?
Bestonden meerminnen echt? Of was dat een verzinsel van opa? Hoe ik mijn best ook deed, met mijn kinderlijke geest kon ik geen kant en klaar antwoord bedenken.

Golf na golf rolde tot haar middel. De wind blies haar haar, dat toch al een grote warboel was nog verder door elkaar.
Ik keek naar het visnet, dat als een te strakke keten vastzat aan haar middel. Waarschijnlijk was dat de oorzaak dat ze hier nu lag. Ze was natuurlijk verstrikt geraakt in dat net en kon daardoor niet goed meer zwemmen. De zee had vannacht in de storm vrij spel gehad.
Was ze dood?
In opa’s verhalen hadden meerminnen, of sirenes, zoals hij ze ook wel noemde niet bepaald een leuke reputatie. Ze lieten schepen op rotsen lopen, of wiegden zeelieden in slaap met mooi, lieflijk gezang, om ze vervolgens met hun scherpe tanden aan stukken te scheuren.
Brr, bij de gedachte dat dit zo’n vals, bijtend kreng kon zijn liepen de rillingen over mijn rug!
Of het echt zo was, of alleen maar door de wind of de zee kwam wist ik op dat moment niet, maar heel even meende ik dat ik haar arm een beetje zag bewegen. Niet veel alleen heel lichtjes.
Als dat zo was, dan was ze dus niet dood! Dan was er hoop en had ze hulp nodig!

Langzaam bewoog ik me wat meer in haar richting.
‚Wees maar niet bang, ik doe je geen kwaad.’
De dame reageerde niet.
Op mijn hurken ging ik naast haar zitten. ‚Ik heet Davin en ik wil je helpen.’
Als ze maar niet ineens op me af zou vliegen en krabben en bijten!
Met bonzend hart wachtte ik af, maar er gebeurde niks.
Ik stak mijn hand uit, maar nog voor ik bij haar was trok ik weer terug. Ik durfde het niet, ik durfde geen blote, misschien wel dode meermin aan te raken.
Bloot, ze was bloot. Misschien voelde ze zich daar wel heel ongemakkelijk bij. Om haar een beetje waardigheid te geven deed ik mijn jas uit en legde die over haar rug en billen.
‚Niks doen, ik ben zo terug. Ik ga mijn opa halen. Die weet overal raad op.’

Zo snel als ik kon rende ik naar onze hut. Opa stond net op een ladder om de pannen op hun plek te schuiven.
‚Opa, kom snel, er ligt een aangespoelde sirene op het strand!’
Een beetje verstoord keek hij op van zijn werk. ‚Nu even geen grapjes jongen. Ik wil dit voor de volgende storm klaar hebben.’
‚Maar het is echt.’ Smekend keek ik hem aan.
‘Luister, ik denk dat je fantasie een beetje op hol is geslagen. Zeemeerminnen bestaan niet en hou in het vervolg je jas aan met dit weer, je wordt nog ziek!’

Het had me heel wat moeite gekost om hem te overtuigen, maar uiteindelijk liet hij zijn werk in de steek en kwam met mij mee naar het strand.
Onderweg zond ik een schietgebedje naar boven. Als ze er nog maar was. Wanneer ze plotseling verdwenen zou zijn zou hij me nooit meer serieus nemen.

‚Wel heb je ooit!’ Van verbazing stond hij als aan de grond genageld.
‚Zie je wel,’ dacht ik er trots achteraan. Nog nooit had ik hem zo verbaasd zien kijken!
Hij liep naar de vrouw. En observeerde haar van top tot teen, of in dit geval, van top tot staart. Voorzichtig pakte hij haar hand vast en streek haar lange, warrige haar naar achter.
Een glimlach verscheen op zijn gezicht en enkele seconden later schaterde hij van het lachen.
Ik begreep echt niet wat er zo grappig was aan een misschien dode meermin.
‚Dat ik hier in ben getrapt,’ hikte hij tussen het lachen door. Met een royaal gebaar draait hij de vrouw op haar rug. Een getekend gezicht werd zichtbaar.
‚Kijk, dit is geen meermin, dit is een etalagepop, maar wel een van de betere moet ik toegeven.’