De ontdekking

Tik, tik tik… Langzaam tikken de wijzers van de oude staartklok de seconden weg, een vertrouwd geluid. Intussen is het bijna kwart over twee in de nacht. René merkt het amper. In het licht van de leeslamp tekenen donkere schaduwen zich af op de schuine muren van de zolderkamer.
Hij drukt het kussen wat dieper in zijn rug, die begint de laatste tijd namelijk behoorlijk wat te zeuren. Een paar keer knijpt hij met zijn ogen en richt dan het vergrootglas weer op de kleine lettertjes in het boek.
Met zijn 78 jaren is hij niet meer de jongste. Meerdere malen is hem aangeraden naar een opticien te gaan, maar hij weigert het steevast om een leesbril te gebruiken.
Eigenlijk is hij al lang met pensioen, maar ja, het werken kan hij niet laten.
In de loop van zijn carrière heeft hij een aantal ontdekkingen op zijn naam weten te zetten, niets groots of zo en hij is er niet beroemd mee geworden, maar in de wetenschappelijke vakliteratuur wordt zijn naam nog steeds met enige regelmaat genoemd.
Vrienden? Zijn enige vrienden zijn een paar collega’s die hem met de kerst een kaartje sturen.
Een vrouw of een gezin? Nooit tijd voor gehad.

Nieuwsgierig is hij altijd geweest. Al als kind vroeg hij zijn ouders en leraren de oren van het hoofd. In het begin hadden ze nog wel een antwoord klaar, maar naarmate zijn vragen steeds dieper en complexer werden kreeg hij steeds vaker: “Dat weet ik ook niet jongen” te horen.
Voor zijn tiende verjaardag gaf zijn vader hem een abonnement bij de plaatselijke bibliotheek en vanaf dat moment was hij elke vrije seconde in die ruimte te vinden, een klein jongetje met zijn neus in veel te dikke boeken waar hij helemaal in verdronk.
Renés grootste en enige levensdoel: Begrijpen hoe het “bestaan” in elkaar zit. Hij is er heilig van overtuigd dat het hem gaat lukken om ooit een “puzzelstukje” te vinden waarmee het grootste geheim in één klap opgelost kan worden.

Nadat hij cum-laude af was gestudeerd als natuurkundige besloot hij zich te specialiseren in elementaire deeltjes, de allerkleinste, maar o zo belangrijke deeltjes, in de volksmond niet voor niks ook weleens “Godsdeeltjes” genoemd. Onzichtbare partikels die dusdanige invloed op het geheel hebben dat de wereld zoals we die zien is zoals hij is. Het kleinste bepaalt het grootste.

Het licht van de volle maan gluurt door het dakraam. René tilt zijn hoofd op om zijn vermoeide ogen wat rust te gunnen.
‘Toch bizar eigenlijk,’ mompelt hij. ‘Als je naar Big Bang kijkt zie je dat alles wat bestaat uit één singulariteit ter grote van een voetbal is geboren, niet alleen materie en licht, maar ook de natuurwetten en zelfs tijd.
Dat ene universele begin maakt dat alles één is en één alles.
Wacht eens even, als ik wat verder nadenk kom ik tot de conclusie dat dat ook geldt voor de bouwsteentjes van het menselijk lichaam en misschien zelfs het bewustzijn. In theorie was ik er dus gewoon zelf bij. We zijn allemaal een stukje sterrenstof.’
‘Hier, in zijn werkkamer kan hij zijn hersens lekker hun gang kan laten gaan, een bijna meditatieve flow.
Er wordt weleens gezegd dat een mens tijdens het donkerste puntje van de nacht het helderst kan denken. Misschien is dat juist wel de reden dat hij zich ‘s nachts op zijn best voelt.
‘Alles wat bestaat, van het verste melkwegstelsel tot het eenzaamste minideeltje hoort erbij, als radartjes in een enorm mechanisme dat alleen draait als ze allemaal aanwezig zijn. Alles heeft een functie, anders was het er niet, in de natuur zijn geen zinloze dingen.
Of wacht…
Toch wel…
‘Er is maar één ding zinloos en dat is hetgeen dat niet bestaat,’ besluit hij.
‘Maar dat “alles” wat er wél is, hoe werkt dat?’
Eeuwenlange zoektochten en filosofieën, sterrenkijkers en later wetenschappers maar nog steeds geen echte, logische verklaringen.
‘Verdorie, hoe werkt het???’ Van frustratie krommen zijn tenen zich in zijn bruine leren sandalen.
Om beter na te kunnen denken knijpt hij zijn ogen stijf dicht, zodat er nog meer rimpels op zijn gezicht verschijnen.
Als een film ziet hij de deeltjesversneller in Genève waarvan hij de uitkomsten zo vaak had bestudeerd weer voor zich, uitkomsten die in plaats van antwoorden alleen maar voor meer vragen zorgden.
‘Het moet eenvoudig zijn!
Kom op, René, je kunt het!
Zelfde oorsprong… Eén is alles en alles is één!
Welke kracht zit hierachter?
Denk aan het Higgs Boson, denk aan zwarte materie, denk aan verstrengeling, denk aan golven en velden!
Zinvol bestaan, zinloos niet bestaan…’
Op dat moment lijkt het of er een kwartje valt…
Het puzzelstukje waar hij al zijn leven lang naar zocht schuift als vanzelf op zijn plek…
‘Wat ben ik een sukkel!!!’ De woorden komen harder uit zijn keel dan de bedoeling is.
‘Wie ben ik om te denken, dat ik als nietig minimensje even zou kunnen ontrafelen hoe alles werkt? Wat is dat ontiegelijk egocentrisch!
Het grootste geheim is niet HOE, maar DAT.
Dingen zijn er gewoon omdat ze er moeten zijn.
Dat is wat telt, dat je er bént, anders ben je nutteloos en nutteloos bestaat niet.
‘Ik ben…
Wij zijn…
Het leven is, alles is…
Jeetje, door al dat studeren ben ik vergeten te zijn wie ik ben en daarmee heb ik het grootste cadeau van de schepping verwaarloosd. Mijn passion werd een obsession.