Lantaarntje

Een koude, gure wind blaast de laatste bladeren over de harde, bevroren bodem. Donkere, zwijgende boomstammen houden de wacht over het eeuwige woud.

Nisse warmt nog heel even zijn handen bij het knapperende haardvuur en trekt dan zijn hoge puntmuts tot ver over zijn oren.
Hij is al op leeftijd, Nisse. Onder zijn ogen tekenen lachrimpels, door de jaren heen is hij steeds krommer gaan lopen en zijn lange, witte baard raakt bijna de grond.
‘Opa, ik begrijp niet waarom je juist nu zo nodig naar buiten wil,’ merkt Vidar op. ‘Het is zo ijzig koud en donker, is het op jouw leeftijd niet beter om gewoon lekker binnen bij de kachel te blijven?’
Nisse pakt het kleine lantaarntje van de houten tafel. ‘En wie gaat er dan licht brengen?’
‘Er zijn toch ook zoveel anderen?’ vindt Vidar.
‘Als dat zo is, waarom kom ik onderweg dan nooit iemand tegen? Waarom ben jij bijvoorbeeld nooit op het idee gekomen?’ Nisse kijkt zijn kleinzoon doordringend aan.
Even weet het jongetje niks te zeggen, verlegen staart hij naar de grond.
Op het anders zo vrolijke gezicht van Nisse verschijnt een zorgelijke, verdrietige blik. ‘En dit is dus juist het probleem,’ mompelt hij. ‘De Poolnacht is de langste, koudste, donkerste periode die er op aarde bestaat, een zware tijd en soms lijkt het of er geen eind aankomt. Kabouters leggen hun werk neer en kruipen weg in hun huisjes. Iedereen leeft een beetje voor zichzelf en is druk met zijn eigen problemen en daardoor worden de anderen vergeten.
Er zijn veel eenzame dieren en kabouters die dreigen de moed te verliezen. Juist nu is er veel behoefte aan een praatje, een luisterend oor, of zelfs maar een kaartje of brief waarin staat hoe speciaal iemand is.
Weet je, ik maak me de laatste jaren een beetje zorgen.
Buiten is het donker, maar met een piepklein lantaarnlichtje is het niet meer zo donker als voorheen en dat minipuntje kan soms veel verschil maken.’
‘Je hebt gelijk,’ knikt Vidar. ‘Maar moet je dan echt naar iedereen? Er wonen zulke rare kabouters in het dorp.
Tomte probeert iedereen te overtuigen om die enge drankjes van hem te nemen. Volgens hem helpen die om een zware verkoudheid te voorkomen.
Jökull wil alleen maar bessen eten, omdat hij het zielig vindt om blaadjes van een plant te halen.
En dan heb je Ulrik nog. Ulrik is echt knettergek, die denkt dat de wereld binnenkort vergaat.
Gelukkig ben ik helemaal normaal,’ mompelt Vidar.
Verdrietig schudt Nisse zijn hoofd. ‘Waarom zou jij normaal zijn? Jij wil alleen maar ergens heen als je je gelukskiezel bij je hebt.’
‘Maar mijn gelukskiezel…’
Vidar maakt zijn zin niet af.
‘Ik denk dat ik je snap…’
‘En nu zijn we er,’ lacht Nisse. ‘Doordat je zelf anders over bepaalde dingen denkt lijken de gewoontes van een ander nogal snel raar. Het is juist de kunst om oprecht naar elkaar te luisteren en te proberen elkaar te begrijpen. Iedereen is anders en probeert zaken op zijn eigen manier goed aan te pakken. Tegelijkertijd zijn we ook allemaal kabouters met onze grote en kleine gelukjes en verdrietjes. Ook een ander heeft in tijden als deze behoefte aan licht en erkenning. Dat mogen we nooit vergeten!’
Zwijgend ploft Vidar in de groene leunstoel van zijn opa. Tranen van schaamte prikken achter zijn ogen, maar hij wil het niet laten merken.
Het haardvuur verspreidt een warme gloed in het minihuisje onder de boomwortel.
‘Ik ben erg egoïstisch hé?’ vraagt hij na een tijdje.
‘Een beetje.’
Plotseling staat Vidar op, pakt een lantaarntje uit de kast en steekt het aan. ‘Kom, opa, ik ga met je mee, we gaan samen licht brengen.’