De waterdruppel en de vis

Witte mistslierten kronkelden tussen de boomstammen. Het rook naar vocht, naar aarde.
De vogels zongen hun ochtendlied en een eekhoorn was al vroeg in de weer met het verzamelen van nootjes voor zijn wintervoorraad.
Langzaam ontwaakte de natuur, vandaag beloofde het weer een mooie dag te worden.

De eerste zonnestralen glinsterden op een ondiep riviertje dat door het bos kronkelde.
Vlak onder de waterspiegel, tussen de planten en de steentjes verstopte een kleine druppel zich in een donker holletje. Heel even gluurde ze door een kiertje over de rand, maar dook daarna snel weer weg.
‘Ik doe het niet, ik wil het niet,’ mompelde de druppel.
‘Wat doe je niet?’
‘Wat wil je niet?’ vroeg een stem.
Verbaasd keek de druppel op.
Twee nieuwsgierige vissenogen staarden haar aan.
‘Wat doe en wil je niet?’ herhaalde de vis.
‘Me mee laten voeren natuurlijk,’ antwoordt de druppel.
‘Ik begrijp het niet,’ mompelt de vis. ‘Dit is een rivier en alles gaat naar waar het water het brengt. Steentjes, takjes, bladeren, dieren, druppels, alles drijft mee met de stroming.’
‘Alles behalve ik,’ antwoordde de druppel koppig, terwijl ze zich stevig vastgreep aan een grote kei.
‘Waarom zo’n weerstand?’ vroeg de vis vriendelijk.
‘Omdat het me hier prima bevalt. ’
‘Hoe lang woon je al in dat holletje?’
De druppel dacht even na.
‘Dat ben ik vergeten,’ antwoordde ze na een tijdje. ‘Eerlijk gezegd is deze plek het enige dat ik me herinner.’
‘Ben je dan niet nieuwsgierig naar de buitenwereld?’
De druppel haalde haar schouders op. ‘Misschien een beetje, maar ik ben ook bang. Bang omdat ik geen idee heb van waar de stroming me brengt. Dit is mijn vertrouwde huisje. Heb je die rivier al eens goed bekeken? Als ik me mee laat voeren kan ik niet meer stoppen. Heb jij enig idee waar ik naartoe wordt gebracht?’
De vis schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat zou ik niet weten, maar misschien moet je gewoon vertrouwen hebben.’
De vis wurmde zich tussen de plantjes en stenen door om in het huisje van de druppel te kunnen komen. ‘Het is hier wel krap en donker,’ merkte hij op.
‘Tsja, dat is nu eenmaal zo, daar moet ik maar mee te dealen,’ antwoordde de druppel.
‘Mis je de zon niet?’
Verbaasd keek de druppel hem aan. ‘Wat is de zon? Ik geloof niet dat ik de zon ooit heb gezien.’
‘Dat meen je niet!’ riep de vis uit. ‘De zon is het licht, de warmte, de schittering op het water. Zonder de zon is alles maar kil en duister.’
‘Kun je me de zon laten zien?’ Nu begon de druppel toch wel een beetje nieuwsgierig te worden.
De vis knikte. ‘Dat kan zeker, maar dan moet je wel naar buiten komen.’
‘Als ik naar buiten ga neemt de stroming me mee.’
‘En als je hier blijft zitten zul je nooit weten wat het leven je allemaal te bieden heeft.’
De druppel haalde diep adem en knikte. Toen kroop ze voorzichtig tussen de kiezeltjes door naar buiten.
Nog voor ze zich vast kon grijpen werd ze meegezogen. Heel even raakte ze in paniek, maar toen merkte ze dat ze niet alleen was. Overal waar ze keek zag ze andere druppels die ook op weg waren. Ze voelde hoe een zachte lichtstraal haar lijf verwarmde.
Waterplantjes wiegen mee op het ritme en een vriendelijk modderkreeftje groette haar.
De druppel ervoer iets wat ze daarvoor nog nooit had ervaren. ‘Is dit geluk?’ vroeg ze zich af.
‘Welkom in de wereld kleine druppel,’ riep de vis.
‘Ik ga op ontdekkingsreis,’ lachte de druppel.
Met een vin zwaaide de vis haar na. ‘Goed zo, je hebt veel in te halen! Ik wens je alle geluk